de vertering hoe en wat

Author
mister S
Super Heavy Weight
2006/01/07 11:47:05 (permalink)
0

de vertering hoe en wat

hier de werking van de spijsvertering, en de werking van de vertering, opslag  van vetten eiwit en KH,
 
ik heb ook no schema's die het duidelijkermaken, maar als ik die post dan staat alles door elkaar in dat schema, vanwege te kleine ruimte, ook gewoon uploaden ging niet, omdat het niet werd ondersteund??? ( was gewoon word)
 
groet
 
Door de spijsvertering worden de voedingsstoffen geschikt gemaakt voor absorptie in het bloed. De eigenlijke stofwisseling begint bij de opname van voedingsstoffen en zuurstof in het bloed. Bij dit proces spelen enzymen en hormonen een rol. De stofwisseling eindigt bij de afgifte van de eindproducten aan de longen, de nieren, de lever en de huid.

Voedingsstoffen zijn scheikundig aantoonbare bestanddelen van levensmiddelen. De meeste voedingsstoffen, waaronder mineralen en vitamines, kunnen niet of onvoldoende door het lichaam worden aangemaakt. Ze zijn onmisbaar in de voeding en worden essentiële voedingsstoffen genoemd. Sommige voedingsstoffen kunnen door middel van stofwisselingsprocessen door de mens zelf worden opgebouwd; dit zijn de niet-essentiële voedingsstoffen.
De mens heeft behoefte aan vast en vloeibaar voedsel. De voedingsstoffen die dat voedsel bevat moeten voorzien in:
- Energiebehoefte (in rust)
- Behoefte aan bouwstoffen (groei)
- Regulering van de stofwisseling

De energie leverende voedingsstoffen zijn: koolhydraten, vetten en eiwitten.
Bouwstoffen zijn: eiwitten, mineralen en water.
Regulerende stoffen zijn: mineralen en vitamines.

Veel vitamines zijn onderdelen van enzymsystemen die chemische reacties in lichaamscellen regelen. Mineralen regelen onder andere de osmotische druk. Sommige mineralen, de spoorelementen, nemen deel aan enzymreacties.

In voedsel zijn belangrijk:
- Samenstelling
- Genotswaarde
- Verteerbaarheid en verzadigingswaarde

Onder normale omstandigheden treedt als gevolg van gewenning op bepaalde tijden eetlust op. Fysiologisch wordt eetlust gekenmerkt door afscheiding van spijsverteringssappen. Hierdoor kan het voedsel beter en sneller worden verteerd.
De onvoorwaardelijke reflexen zijn reflexen die het directe gevolg zijn van een mechanische, fysische of chemische prikkel van de zenuwuiteinden, dus bijvoorbeeld door aanraking, warmte of een zuur product. Voorwaardelijke reflexen zijn reflexen die verlopen nadat een vroegere ervaring die herhaaldelijk is opgetreden en zo de prikkelgeleiding als het ware al vele malen heeft gebaand, in het geheugen is vastgelegd. De herinnering door gewoontevorming is ‘voorwaarde’ voor het optreden van deze reflex.

Tijdens het kauwen wordt het voedsel geproefd. Alleen gewaarwordingen die met zoet, zout, zuur en bitter worden aangeduid zijn het gevolg van prikkeling van de smaakpapillen op de tong. Verder nemen wij nog de metaalsmaak en de loogsmaak waar. Het reukorgaan speelt hierbij een grote rol. Bij ernstige neusverkoudheid of met een dichtgeknepen neus wordt weinig geproefd. Ook de gevoelszenuwen van tong, wang en gehemelte hebben invloed op het proeven. De consistentie en de temperatuur van het voedsel spelen eveneens een rol.

Het kauwen en proeven van spijzen is voldoende om langs reflectorische weg afscheiding van maagsap op te wekken. In rust is er geen afscheiding van maagsap, wel van slijm. Als men eet, of voedsel ziet of ruikt, volgt er sapafscheiding. Wanneer er een vies smakende stof in het voedsel wordt gedaan valt de maagsapafscheiding spoedig stil.

Bekend is bij de mens de gunstige invloed van een prettige omgeving tijdens de maaltijd op de eetlust en de spijsvertering. Verdriet, angst en nervositeit ebben vaak een negatieve uitwerking op de eetlust. Na de reflectorische afscheiding van maagsap wordt de maagsapsecretie verder bevorderd door mechanische prikkels, namelijk het contact van het voedsel met de maagwand en door chemische prikkels. Zuren versterken de werking van het afgescheiden maagsap.
Genotstoffen en genotmiddelen kunnen in vier groepen worden ingedeeld:
a)      genotstoffen die van naturen in het voedsel aanwezig zijn
b)      genotstoffen die bij de bereiding van voedsel ontstaat
c)       genotstoffen die bij de bereiding worden toegevoegd
d)      genotmiddelen die grote hoeveelheden genotstoffen bevatten.

Verteerbaarheid en verzadigingswaarde
Onder verteerbaarheid verstaat men de mate waarin voedsel in het spijsverteringskanaal wordt afgebroken tot absorbeerbare stoffen. De verzadigingswaarde heeft te maken met de duur van het afbraakproces en is groter naarmate de afbraak langzamer plaatsvindt. 
Voedsel bestaat uit verteerbare en onverteerbare bestanddelen. De voedselkeuze, de samenstelling van de maaltijden en de bereidingswijze zijn van invloed  op de verteerbaarheid.

Om de verteerbaarheid en de verzadigingswaarde te beoordelen dient te worden uitgegaan van de samenstelling van het voedsel en de bereiding die dit voedsel heeft ondergaan. Van invloed op de verteerbaarheid en de verzadigingswaarde zijn de volgende factoren:
1)      De aanwezigheid van onverteerbare delen, de voedingsvezels. Zij activeren de darmbeweging, waardoor het voedsel sneller het maagdarmkanaal passeert. In combinatie met eiwitten en vetten kan de passage langzamer verlopen. Voedingsvezels kunnen zachter gemaakt worden door middel van koken. De hoeveelheid onverteerbare resten in een portie gekookte andijvie is toch aanzienlijk groter dan in rauwe andijvie, omdat bij gekookte andijvie van een groter portie ongekookte andijvie wordt uitgegaan.
2)      De aanwezigheid van vet in de voeding. Te onderscheiden vallen: geëmulgeerde en ongeëmulgeerde vetten. Zo is het melkvet in slagroom geëmulgeerd, het wordt al in de maag gesplitst en is zodoende gemakkelijk verteerbaar. Ongeëmulgeerde vet dat de spijsbrij omhult, zoals vet in jus, maakt de spijsbij minder toegankelijk voor spijsverteringssappen. De vertering in de maag wordt in dat geval vertraagd, doordat het langer duurt eer de spijsbrij zuur reageert en in de dunne darm wordt gespoten. Pas in de dunne darm worden de vetten, na geëmulgeerd te zijn door de gal, gesplitst. De aanwezigheid van vetten leidt dus tot een vertraging van het spijsverteringsproces.
3)      De consistentie van het voedsel. Consistentie heeft te maken met vast of vloeibaar, droog of vochtig enz.
4)      De aanwezigheid van genotstoffen. Lekker geurend en smakelijk voedsel prikkelt de reuk- en smaakzenuwen, waardoor (meer) spijsverteringssappen worden afgescheiden en de vertering sneller plaatsvindt.
 
Eveneens varieert de verteringssnelheid:
- Als vertering snel en gemakkelijk verloopt, wordt het voedsel licht verteerbaar genoemd. De verzadigingswaarde is dan klein, na kort tijd ontstaat weer een hongergevoel.
- Voedsel is zwaar verteerbaar als het langzamer en moeilijker verloopt. De verzadigingswaarde is groot, er is pas na langere tijd weer een hongergevoel.

Door de bereiding van voedsel kan de verteerbaarheid worden vergroot, zodat meer voedingsstoffen geabsorbeerd worden:
- Zetmeel wordt gaar bij het bakken van brood en bij het koken van vla, zodat het verteerbaar wordt;
- Door het koken van groeten ondergaan de celwanden een verandering en de celinhoud wordt meer toegankelijk voor spijsverteringssappen.

Het is echt ook mogelijk dat door bereiding een achteruitgang optreedt in de voedingswaarde, met name door wassen, weken en verhitten. Dan kunnen gemakkelijk vitamines van het B-complex, vitamine C en mineralen verloren gaan, doordat deze voedingsstoffen opgelost zijn in water. Vitamine C is bovendien erg gevoelig voor zuurstof: bij een langdurige bereiding en of tijdens het warm houden van groenten en aardappelen oxideert het en wordt daardoor onwerkzaam.

Om te voorkomen dat tijdens de bereiding voedingsstoffen verlogen gaan, gelden voor aardappelen en groenten de volgende richtlijnen: snel schillen snijden en wassen; niet in water laten staan, zeker niet gesneden; zo kort mogelijk koken in zo weinig mogelijk water, niet warm houden of opwarmen.

De balans tussen honger en verzadiging bepaalt hoeveel men eet. Ook eetlust speelt hierbij een rol. Honger is een gevoel dat mensen motiveert om te eten tot verzadiging is bereikt. Het gaat gepaard met een leeg gevoel, een laag bloedsuikergehalte en contractie van de maag. Verzadiging is het proces van verzadigd raken tijdens het eten, waarmee het moment bepaald wordt waarop gestopt wordt met eten. De voedselopname wordt geregeld vanuit een centrum in de hersenen, de hypothalamus, die een honger en een verzadigingscentrum bevat. Via het centrale zenuwstelsel worden deze centra door verschillende signalen geprikkeld.

Een laag bloedsuiker gehalte prikkelt het hongercentrum in de hypothalamus tot voedselopname. Het verzadigingscentrum kan de voedselopname juist doen stoppen; zo worden de energiebalans en het lichaamsgewicht in evenwicht gehouden. Behalve het glucosegehalte van het vloed spelen bij de prikkeling van het honger- en verzadigingscentrum ook een rol: Hormonen, aanwezige splitsingsproducten van eiwitten en voedingsvetten; voedingsvezel.

Bij eetlust speelt de bevrediging van niet-fysiologische behoeften een rol. Eetlust is de aantrekkingkracht van voedsel. Wanner de honger over is en verzadiging is opgetreden kan de eetlust blijven bestaan. Het zojuist gemaakte onderscheid tussen honger en eetlust is essentieel, maar toch is het in de praktijk niet altijd gemakkelijk te hanteren.

Sensorische prikkels als zien en ruiken stimuleren de eetlust. Men krijgt trek en de speeksel- en maagsapsecretie worden op gang gebracht. Hoe groter men denkt dat de eetlust is, des de groter zullen de speekselsecretie en de voedselopname zijn als men gaat eten. Het zien en ruiken van voedsel en het denken aan voedsel hebben ook op de maagsapsecretie invloed. Verder zijn emoties van invloed op de maagsapsecretie; agressie verhoogt, angst verlaagd deze.
Het maken van veel kauwbewegingen veroorzaakt verzadiging. De gewoonte van snel te eten en weinig te kauwen of veel te drinken tijdens het kauwen leidt tot minder verzadiging.
Drinken kan bij de maaltijd een verzadigend effect hebben, mits de drank niet gelijktijdig met het voedsel opgenomen wordt. Energievrije dranken tussen de maaltijden door hebben eveneens een maagvullend effect. De verteerbaarheid van een voedingsmiddel beïnvloed de verzadigingswaarde. Zwaar en/of slecht verteerbare voedingsmiddelen of gerechten geven een grotere verzadiging dan licht en/of goed verteerbare voedingsmiddelen.

Spijsvertering en absorptie
Onder de spijsvertering verstaat men alle verrichtingen van het maagdarmkanaal en alle processen die daarin plaats vinden op het voedsel te verteren, dat wil zeggen, om te zetten in stoffen die geschikt zijn om door de darmwandcellen te worden opgenomen. Dit opnameproces heet absorptie.
De volgende processen vinden in het maagdarmkanaal plaat:

Mechanische bewerking van het voedsel
Voorbeweging van de spijsbrij
Vermenging met kliersappen, met als gevolg vertering van de voedingsstoffen met behulp van enzymen
Absorptie van voedingsstoffen door de darmwand
Uitscheiding van onverteerbare resten
Afscheiding van weefselhormonen aan het bloed, die vertering, absorptie en stofwisseling reguleren.


    Het spijsverteringskanaal is geheel met slijmvlies bekleed. In het slijmvlies gelegen kliercellen scheiden sappen af die op het voedsel inwerken, waardoor dit wordt afgebroken en gesplitst in absorbeerbare stoffen. Het grootste deel van deze stoffen wordt in de dunnen darm geabsorbeerd. Alleen water en alcohol kunnen al voo een deel door het maagslijmvlies worden opgenomen; 20% van de alcoholabsorptie vindt in de maag plaats, de overige 80% in de dunne darm. De voedingsstoffen passeren de darmwand door diffusie, osmose of door binding met een stof uit het celmembraan.
    De meeste geabsorbeerde stoffen komen in de poortader; hiermee begint de intermediaire stofwisseling. De spijsvertering is eigenlijk een voorbewerking van het voedsel waarbij groot-moleculaire stoffen die niet kunnen worden opgenomen door de darm, zoals eiwitten, vetten en meervoudige koolhydraten, gesplitst worden in moleculen die wel geschikt zijn voor absorptie, zodat ze vervolgens opgenomen kunnen worden in de bloedbaan, teneinde deel te kunnen nemen aan de intermediaire stofwisseling.

    De mondholte
    Voedsel dat lekker ruikt en aantrekkelijk uitziet, wekt de eetlust op doordat in de mondholte en als reactie daarop in de maag al spijsverteringssappen worden afgescheiden. Oneetbare deeltjes (graten, pitten, botjes) worden bij het proeven en kauwen opgemerkt en uit de mond verwijderd. Vloeibaar en bij-achtig voedsel wordt vrijwel direct doorgeslikt. Vast voedsel wordt kort of lang gekauwd. Door middel van het gebit wordt het voedsel verkleind en intersief vermengd met alkalisch reagerend speeksel uit de speekselklieren. De fijne verdeling die het gevolg is van de verkleining maakt dat het oppervlak vergroot wordt en de spijsverteringssappen beter op het voedsel kunnen inwerken. Het kauwen vereist een goede coördinatie tussen de bewegingen van de tong en wang, die het voedsel tussen de kiezen brengen, en de kauwspieren. Ook bij het slikken speelt de tong een rol; hiermee wordt namelijk het voedsel naar de keelholte getransporteerd. De taak van het speeksel is het voedsel glibberig maken, waardoor het gemakkelijk kan worden doorgeslikt; tevens houdt het de mondholte vochtig. Het speeksel bevat een koolhydraatsplitsend enzym, speekselamylase, waardoor gaar zetmeel via dextrine gedeeltelijk kan worden gesplitst in maltose. Het speeksel reageert alkalisch (pH +- 8) door de aanwezigheid van calciumzouten en fosfaten.
    Bij het doorslikken van voedsel is de huig naar boven gericht, waardoor de mondholte van de neusholte wordt afgesloten, tegelijk is het strotklepje naar beneden gericht, over de luchtpijp heen. Zo kan het vaste en vloeibare voedsel in de richting van de slokdarm worden geleid.
     
    De slokdarm
    Vloeibaar voedsel passeert de slokdarm zeer snel. Vast voedsel wordt door het samentrekken van de kringspieren in de slokdarm voortgestuwd naar de maag.
     
    De maag
    Het voedsel komt door de maagmond (cardia) in de maag. Passeert vocht of een spijsbrok de slokdarm, dan opent de maagmond zich reflexmatig om zich vervolgens weer te sluiten. Dit voorkomt dat het voedsel terugstroomt van de maag naar de slokdarm.
    Het geplooide slijmvlies aan de binnenzijde van de maag heeft vele grote en kleine buisvormige klieren die maagsap en slijm afscheiden (+- 2,5 liter per dag). De maagsapproductie wordt al gestimuleerd op het moment dat voedsel in de mondholte aanwezig is. Sommige stoffen zoals extractiestoffen uit vlees, alcohol en een geringe hoeveelheid cafeïne bevorderen de maagsapsecretie.
    Tijdens de maaltijd wordt de maag laagsgewijs gevuld. Het voedsel dat het eerst in de maag terechtkomt, ligt tegen de maagwand aan. Door afscheiding van zoutzuur (HCL) reageert het maagsap zuur. Het enzym pepsine dat in de maag inwerkt op eiwitten, werkt alleen in een zuur milieu (PH +-2). Bij voedsel dat later in de maag komt blijft het speekselsap nog enige tijd doorwerken, tot ook daar de pH zo laag is dat het speekselamylase onwerkzaam raakt. In de maag kan de voedselmassa tijdelijk worden bewaard en op temperatuur worden gebracht voordat het in de darm komt. De maag heeft een inhoud van maximaal 1 liter. De verblijfsduur van het voedsel in de maag hangt af van de samenstelling van het voedsel en van de activiteit van de darm. Eiwitrijk voedsel blijft langer in de maag dan koolhydraatrijk voedsel, omdat eiwitten voor een klein deel in de maag worden verteerd. Behalve eiwitvertering vindt er ook vetvertering plaats in de maag. Maagsap bevat het enzym maaglipase, dat geëmulgeerde vetten uit de voeding (vooral melkvet) splitst in glycerol en vetzuren. Vetten vertragen de maagbeweging en de maagontlediging. Dit wordt geregeld door weefselhormonen en door zenuwgeleiding vanuit de darm (via reflexen). Is het op de maag volgend deel van de darm gevuld, dan wordt door middel van een reflex en het weefselhormoon enterogastrine de activiteit van de maag geremd. Zo regelt de twaalfvingerige darm mede het verzadigingsgevoel. Grote hoeveelheden alcohol en geconcentreerde suikeroplossingen remmen eveneens de maagontlediging. Een maaltijd blijft maximaal 6 uur in de maag. Door de kneedbewegingen van de maag en door de intensieve vermenging met speeksel, maagsap en zoutzuur die daarbij optreedt, verandert het voedsel in een brij, chymus genaamd. Vloeistoffen passeren de gevulde maag langs de kleine bocht en komen daarna in de twaalfvingerige darm.

     
    De twaalfvingerige darm
    De maagspieren stuwen de chymus naar de maagportier (pylorus). Dit is de sluitspier die de overgang vormt naar de twaalfvingerige darm (duodenum). In kleine hoeveelheden komt de zure maaginhoud in de twaalfvingerige darm. Dit proces heet maagontlediging. Zodra de zure chymus in aanraking komt met de wand van de twaalfvingerige darm wordt door middel van een reflex de kringspier van de pylorus gesloten. Nadat de zure chymus door het alkalisch reagerende alvleeskliersap is geneutraliseerd, opent de maagportier zich en kan het proces zich herhalen.
    In de twaalfvingerige darm, die ongeveer 30 cm lang is, bevinden zich de uitgangen van de lever en de alvleesklier (pancreas), die respectievelijk gal en pancreassap uitscheiden. Door de peristaltische beweging wordt de voedselbrij daarmee gemengd en voortgestuwd. Ook bevinden zich in de twaalfvingerige darm de kliertjes van Brunner en Lieberkühn, die een deel van het darmsap leveren (2-3 liter per dag) en slijm produceren.
    Het pancreassap, geproduceerd door de alvleesklier (pancreas), bevat naast water natriumbicarbonaat (NaHCO3), een stof met zuurbindend vermogen, en verder verschillende enzymen voor de vertering van eiwitten, vetten en koolhydraten. De afscheiding van pancreassap wordt geregeld door hormonen. Zodra voedsel in de darm komt, vooral als het gaat om vetten en vetzuren, vindt hormoonafscheiding in de darmwand plaat; deze hormonen secretine en pancreozymine activeren via de bloedbaan de pancreascellen om sap af te scheiden. Secretine activeert de afscheding van zouten en water in het pancreassap. Pancreassap en darmsap reageren alkalisch. Hierdoor wordt de zure maaginhoud die in de twaalfvingerige darm komt geneutraliseerd,zodat de enzymen die in een alkalisch milieu werkzaam zijn kunnen inwerken op de spijsbrij.
    Naast pancreassap wordt in de twaalfvingerige darm ook gal afgegeven; gal wordt door de levercellen voortdurend aangemaakt en via galbuisjes in de darm gebracht. De galvloeistof kan ’s nachts worden ingedikt en opgeslagen in de galblaas (tot ca. 30ml). ’s Morgens trekt de galblaas zich onder invloed van het hormoon cholecystokine samen waardoor de inhoud in de darm komt.
    Gal bestaat uit water, galzure zouten, cholesterol en bilirubine. Galzure zouten emulgeren vetten, zodat de vetsplitsende enzymen erop kunnen inwerken. Aan het eind van de dunne darm en het begin van de dikke darm worden de galzure zouten weer geabsorbeerd en via de bloedbaan teruggevoerd naar de lever. Hier is dus sprake van een kringloop: de enterohepatische kringloop. Wat in de darm aan galzure zouten overblijft wordt met de feces verwijderd.
     
    De dunne darm
    De twaalfvingerige darm gaat over in de dunne darm (ca 4 meter lang). Het eerste deel hiervan heet jejunum, het overige deel ileum. De dunne darm heeft een door plooien sterk vergroot oppervlak, waarin de darmsapklieren liggen. Eiwitten, vetten en koolhydraten worden hier verder afgebroken tot opneembare stoffen. Pancreassap en gal werken in op vetten en pancreassap werkt in op eiwitten. De splitsing van zetmeel in maltose wordt voltooid door amylase uit het pancreassap. Het darmsap van de dunne darm zelf bevat de enzymen sacharase, maltase en lactase, die disachariden splitsen tot enkelvoudige koolhydraten (glucose, fructose en galactose). Eiwitsplitsende enzymen in het darmsap splitsen de resterende eiwitbrokstukken tot aminozuren, en ook worden overgebleven vetten gesplitst tot vetzuren en glycerol. De stoffen kunnen nu geabsorbeerd worden. De absorptie heeft plaats in de duizenden zeer kleine, in het slijmvlies gelegen, in de darmholte uitstekende darmvlokken. Hier worden de afgebroken voedingsstoffen opgenomen in het bloed en in de chylvaten aanwezige lymfe. De onverteerbare resten gaan naar de dikke darm.
     
    De dikke darm
    De dunnen darm gaat over in de dikke darm (colon). Bij de overgang zit een blind gedeelte, de blinde darm (caecum). Dit heeft een wormvormig aanhangsel, de appendix. In de dikke darm worden geen spijsverteringssappen meer afgescheiden, maar wel veel slijm.
    Het eerste deel van de dikke darm bevat zeer veel bacteriën (darmflora). De resten van de spijsvertering worden met slijm en bacteriën gemengd, terwijl water wordt onttrokken. De ingedikte massa wordt geleidelijk voortgestuwd. De bacteriën zorgen voor allerlei scheikundige omzettingen.  Tenslotte bereikt de ingedikte rest van de spijsvertering de endeldarm (ongeveer 20 uur na de maaltijd). Hier vindt ophoping plaats. De ingedikte massa heetfeces en bestaat uit voedselresten (voedingsvezels), water, slijm, en bacteriën, afgestorven darmwandcellen, galkleurstof (bilirubine) en zouten.

    Enzymen en hormonen
    De spijsvertering, de absorptie en de stofwisseling worden geregeld door enzymen en hormonen.
    Enzymen zijn organische stoffen die chemische omzettingen kunnen versnellen, opgebouwd uit eiwitten. Ze werken als katalysatoren. Enzymen betrokken bij de spijsvertering worden gemaakt in klieren met externe secretie.
    Enzymen zijn opgebouwd uit een apo-enzym (het drager-eiwit) en een co-enzym (het werkzame deel, de prosthetische groep). Samen vormen deze onderdelen het holo-enym.
    Ontbreekt een co-enzym, dan stagneert de specifieke biochemische enzymreactie. De bouwstof van een co-enzym kan oa een mineraal zijn, bijvoorbeeld ijzer of een vitamine.
     
    Enzymen hebben de volgende eigenschappen:
    ·         Ze zijn werkzaam in zeer kleine hoeveelheden
    ·         Ze beïnvloeden de snelheid van chemische reacties
    ·         Ze zijn na afloop van de chemische reactie kwalitatief en kwantitatief onveranderd aanwezig
    ·         Ze zijn specifiek: ze kunnen slechts één bepaalde reactie beïnvloeden; deze specificiteit wordt veroorzaakt door het apo-deel
    ·         Ze werken in het lichaam bij een optimale temperatuur van 37° C
    ·         Sommige enzymen werken in een zuur milieu andere in een alkalische milieu
     
    De naam van een enzym is afgeleid van de stof die door het enzym wordt gespitst, het zogenaamde substraat; het enzym krijgt in het algemeen het achtervoegsel ‘ase’.
     
    Hormonen hebben een soortgelijke functie als enzymen: ze regelen, maar nemen geen deel aan de reactie. Ze zijn daarbij echter niet zoals enzymen rechtstreeks betrokken bij biochemische reacties in de cellen of in het verteringskanaal, maar oefenen via het bloed effecten uit op klier-, spier- en andere cellen.Hormonen worden gemaakt door levende cellen in klieren met interne secretie (endocriene klieren) of door apart liggende cellen die in enkele weefsels aanwezig zijn (weefselhormoon). Hormonen worden direct aan het bloed afgegeven en met het bloed vervoerd. Ze oefenen elders in het lichaam een regulerende werking uit. Hormonen komen net als enzymen voor in kleine concentraties, maar in dit geval in het bloed en de andere lichaamsvloeistoffen.
     
    Hormonen van klieren met interne secretie:
    ·         Tyroxine, gemaakt door de schildkliercellen
    ·         Parathormoon, gemaakt door bepaalde andere cellen in de schildklier
    ·         Insuline en glucagon, afgescheiden door cellen in de eilandjes van Langerhans
    ·         Adrenaline, gemaakt in het bijniermerg
    ·         Corticosteroïden, afgescheiden door de cellen in de bijnierschors –van belang bij de koolhydraat stofwisseling en water en zouthuishouding
    ·         Groeihormoon, afgescheiden door de hypofyse-voorkwab; dit hormoon heeft invloed op de stofwisseling van eiwitten, vetten en koolhydraten.
    Daarnaast produceert de hypofyse hormonen die enkele andere endocriene klieren stimuleren. De hormonen van het andere deel van de hypofyse, de hypofyse-achterkwab, hebben niet direct invloed op de fysiologie van de voedingsstoffen.
     
    Weefselhormonen oa:
    ·         Gastrine, geproduceerd door de maagwandcellen, dat na opgenomen te zijn in het bloed de maagsapsecretie en de maagbeweging regelt
    ·         Enterogastrine, geproduceerd door darmwandcellen van de twaalfvingerige darm; zodra daar vetten arriveren, vertraagt het de maagmotoriek en de maagontlediging
    ·         Secretine, geproduceerd door cellen in de darmwand, dat de pancreas stimuleert tot afscheiding van pancreassap en de lever stimuleert tot galproductie
    ·         Pancreozymine, geproduceerd door de darmwandcellen van de twaalfvingerige darm, dat de pancreas stimuleert tot afscheiding van enzymen in het pancreassap
    ·         Cholecystokinine, geproduceerd door de cellen van de twaalfvingerige darm, dat de galblaas aanzet tot contractie en de pancreas tot secretie
    ·         Porcitamine D, gemaakt in de houd, dat onder bepaalde omstandigheden in vitamine D kan worden omgezet
    post edited by stephanoss - 2006/01/07 12:03:12
    #1

    13 Replies Related Threads

      mister S
      Super Heavy Weight
      RE: de vertering hoe en wat 2006/01/07 11:52:55 (permalink)
      0
      Eiwitvertering
       
      Bij de eiwitvertering is een beveiliging noodzakelijk: ook eiwitsplitsende enzymen worden binnen kliercellen gemaakt, maar cellen bestaan zelf ook voor een belangrijk deel uit eiwitten; eiwitsplitsende enzymen zouden dus de cellen afbreken waarbinnen ze worden gevormd. Daarom maken de kliercellen in dit geval geen eiwitsplitsende enzymen in hun actieve vorm, maar inactieve vormen, die pas na afgifte, dus op de plaats van bestemming in actieve vorm worden omgezet. De inactieve vormen worden pro-enzymen of zymogen genoemd.
       
      De eiwitvertering begint in de maag. Het maagsap reageert zuur. Het maagsap bevat het pro-enzym (zymogen) pepsinogeen, dat door het HCL omgezet wordt in pepsine. De meeste eiwitten worden door pepsine gedeeltelijk afgebroken tot kleinere moleculen. Pepsine en HCL werken niet op de maagwand in omdat deze wordt beschermd door een laag slijm (mucine).
       
      Vanuit de maag gaan de gesplitste en ongesplitste eiwitten naar de twaalfvingerige darm en de dunne darm. In de twaalfvingerige darm mondt de pancreas uit. De pancreas produceert o.a. de zymogen trypsinogeen, chymotrypsinogeen en pro-carboxypeptidase, die eerst geactiveerd moeten worden tot respectievelijke trypsine, chymotrypsine en carboxypeptidase. Trypsine wordt geactiveerd door het enzym enterokinase uit de darmwandcellen. Trypsine kan op zijn beurt chymotrypsinogeen omzetten in chymotrypsine, en de pro-carboxypeptidase in carboxypeptidase. Trypsine en chymotrypsine breken nu de eiwitten af tot nog kortere peptidenketens. Carboxypeptidase splitst eindstandige aminozuren af die een vrije carboxylgroep bezitten.
       
      Verderop in de dunne darm zetten trypsine en chymotrypsine hun werking voort. Ook de afsplitsing van eindstandige aminozuren door het al genoemde pancreas-enzym carboxypeptidase gaat door; daarnaast gebeurt dit laatste door een enzym afkomstig uit de wand van de dunne darm, het aminopeptidase. Door de inwerking van deze enzymen ontstaat een mengsel van ca 30% vrije aminozuren en 70% peptidebrokstukken, vooral dipeptiden. Ten slotte worden de dipeptiden door dipeptidasen afgebroken tot aminozuren. Dit gebeurt tijdens de absorptie op de wand van de darm. Vervolgens gaan de aminozuren via de poortader naar de lever.
       
      Behalve eiwitten uit de voeding (exogene eiwitten) worden ook eiwitten uit het lichaam zelf (endogene eiwitten) met de spijsbrij vermengd. De exogene opname bedraagt 80-100 g per dag, de endogene opname ca 80 g per dag.
      Doordat een goede absorptie plaats heeft, komt slechts weinig stikstof in de feces terecht. Met de feces gaat ca 10 g eiwit per dag verloren. De totale hoeveelheid geabsorbeerd eiwit bedraagt ongeveer 160 g per dag. Het meeste voedingseiwit wordt verteerd tot aminozuren en dipeptiden in het bovenste deel van de dunne darm. De vertering van endogeen eiwit duurt langer, omdat het niet gedenatureerd is door het maagzuur, en vaak nog opgesloten zit in epitheel cellen die door het onderste deel van de dunne darm zijn afgestoten. Het mengsel van aminozuren (afkomstig zowel uit het voedsel als uit de afgestoten lichaamscellen dat in de bloedbaan komt is bij een goede voeding tamelijk constant van samenstelling. Dat is belangrijk, omdat opbouw van lichaamseiwit pas plaatsvindt wanneer alle aminozuren voor het desbetreffende aminozuren patroon aanwezig zijn.
       

      De stofwisseling van eiwitten
      De lever neemt in de eiwitstofwisseling een belangrijke plaats in. De lever selecteert uit de met de poortader arriverende aminozuren:
      ·         Essentiële en niet-essentiële aminozuren die op dat moment nodig zijn voor de opbouw van lichaamseiwitten elders in het lichaam
      ·         Aminozuren die in de levercellen zelf gebruikt worden voor de opbouw van lever- en bloedeiwitten
      ·         Overige aminozuren; deze kunnen worden getransamineerd of gedasamineerd.
       
      Transamineren betekent letterlijk het overplaatsen van aminogroepen. De lever is niet in staat door middel van transamineren uit essentiële of niet-essentiële aminozuren andere aminozuren te maken. Dit zijn uiteraard altijd niet-essentiële aminozuren. Transamineren gebeurt wanneer bij de selectie blijkt dat er een tekort is aan een niet-essentiël aminozuur
       
      Desamineren is het losmaken van de aminogroepen van de aminozuren. De aminogroepen worden omgezet tot ureum. Dit wordt aan het bloed afgegeven en vervoerd naar de nieren. Vervolgens wordt ureum als bestanddeel van de urine uit het lichaam verwijderd. De stikstofvrije rest van het aminozuur wordt afgebroken tot CO2 en H2O waarbij energie vrijkomt.
       
      Vrijwel alle aminozuren die via de darm in het bloed komen en niet dienst doen voor lichaamsopbouw, kunnen opgezet worden in glucose. Leucine kan niet in glucose, maar wel in actyl co-enzym A worden omgezet, dat vervolgens in een ketonlichaam wordt omgezet (ketogeen aminozuur) Een aantal aminozuren is zowel glucogeen als ketogeen. Nadat uit het aminozuur de aminogroep is afgesplitst kan het koolstofskelet dat overblijft hetzij via de koolhydraatstofwisseling, hetzij via de vetstofwisseling in de citroenzuurcyclus worden ingevoerd en hier energie (ATP), CO2 en H2O leveren. Afhankeklijk van de behoefte kunnen ook ander producten worden gevormd.
       
      De lever heeft een ontgiftende werking, oa ten aanzien van fenolen die uit bepaalde aminozuren kunnen ontstaan. Voortdurend vindt opbouw en afbraak van lichaamseiwitten plaats. Bij de afbraak van eiwitten in de cellen komen aminozuren brij die in het bloed terechtkomen en in de lever weer gebruikt kunnen worden, net als aminozuren die via de poortader uit de darm aangevoerd worden.
      Het lichaam is aldus heel zuinig met stikstof. Zijn aminozuren niet nodig, dan worden ze gedesamineerd en doen zo nog diens als energiebron.


      in een volwassen lichaam worden alle aminozuren die uit het voedseleiwit worden vrijgemaakt, gebruikt worden voor opbouw van lichaamseiwit, ter vervanging van eiwit van afgebroken cellen in de weefsels, of anders gebruikt worden voor energie. In het laatste geval worden de aminozuren, net als die van lichaamseiwit dat vervangen wordt, uiteindelijk gedesamineerd en zijn dus een bron voor energie + CO2 + H2O.
      Koolhydraten werken ‘sparend’ op de eiwitten. Bij te geringe opname van koolhydraten en vetten wordt het eiwit als energiebron gebruikt in plaats van als bouwstof.
       
      De hormonene insuline en glycagon, die van belang zijn bij de koolhydraatstofwisseling, spelen ook bij de eiwitstofwisseling een rol. Glucagon activeert de processen in de lever. Bij een hoog insulinegehalte nemen de spieren meer aminozuren op; een teveel aan aminozuren wordt afgebroken en door de lever omgezet in vet en ureum. Bij vasten daalt het insulinegehalte en geven de spieren aminozuren af, vooral alanine en glutemine. De aminozuurproductie uit de spieren als geheel bestaat voor 30-40% uit alanine. Hiervan is 70% afkomstig van glucose dat in de spier is omgezet tot pyrodruivenzuur; doordat hierop een aminogroep van een ander aminozuur wordt overgebracht ontstaat alanine. Insuline bevordert de eiwitsynthese doordat onder invloed ervan het aminozuurtransport door de celmembranen toeneemt. Ook het groeihormoon en de glycocorticoïden beïvloeden de eiwitsynthese. Glucagon en insuline zijn eiwithormonen; deze kunnen de cel niet binnendringen, maar geven hun boodschap af aan het oppervlak van de cel, waar zich een ‘ontvanger’ bevindt die aan de binnenkant van de cel enzymsystemen in werking zet.

      #2
      mister S
      Super Heavy Weight
      RE: de vertering hoe en wat 2006/01/07 11:55:32 (permalink)
      0
      Vetvertering
      De vetvertering begint in de maag. In het maagslijmvlies wordt vooral bij zuigelingen het enzym maaglipase gevormd. Dit splitst alleen geëmulgeerd vet met korte vetzuurketens, bijvoorbeeld melkvet, in vetzuren en glycerol. Vetten die niet zijn geëmulgeerd ondergaan in de maag geen verandering.
      Een weefselhormoon, enterogastrine, geproduceerd in het slijmvlies van de twaalfvingerige darm, speelt een belangrijke rol. Het ramt de maagsapafscheiding en de maagbeweging. Vetten die in de dunne darm aanwezig zijn stimuleren de productie van enterogastine; vetten met een hog percentage aan langeketenvetzuren hebben echter op deze indirecte manier een sterker remmende werking op de maagontlediging dan vetten met een hoog percentage aan korteketenvetzuren.
       
      De galzure zouten, die in de lever worden geproduveerd en naar de twaalfvingerige darm worden afgevoerd, zijn van grote betekenis voor de vetvertering en vetabsorptie. De galzure zouten bezitten het vermogen om ongeëmulgeerd vet te emulgeren. Ze activeren het vetsplitsende enzum lipase en ze spelen een rol bij de opname van vetzuren door de darmwand. Het pancreaslipase splitst geëmulgeerde vetten in diglyceriden monoglyceriden, vetzuren en glycerol. De twee buitenste vetzuren aan een trigelyceride worden afgesplitst, zodat een glycerolmolecuul overblijft waaraan in het middel één vetzuur zit. Zodra deze splitsing is begonnen en er vetzuren zijn ontstaan, helpen deze bij het verder emulgeren van de vetten. Door de darmwandcellen wordt tenslotte darmlipase afgescheiden, dat de B-vetzuren afsplitst.
      De splitsing van de triglyceriden in het spijsverteringskanaal verloopt nooit volledig: maximaal wordt ongeveer 95% gesplitst. Niet-verteerde vetten worden nauwelijks geabworbeerd en verlaten het lichaam met de feces. De vetvertering en –absorptie verlopen slecht als er geen of onvoldoende gal en lipase beschikbaar zijn. Een deel van de galzure zouten wordt in de dunnen darm teruggeabsorbeerd, komt weer terecht in de lever en kan opnieuw gebruikt worden. Een klein deel verdwijnt met de feces.
       
      Behalve triglyceriden komen in de voeding andere vetachtige stoffen voor die gesplitst moeten worden voor ze in het lichaam opgenomen kunnen worden. Dit geldt voor de fosfolipiden en voor esters van cholesterol met vetzuren, die evenals vrij cholesterol in de voeding aanwezig zijn. Vrij cholesterol kan onaangetast geabsorbeerd worden. De cholesterolesters worden gesplitst in vrijcholesterol en vetzuren. Dit gebeurt onder invloed van het enzym cholesterolesterase uit het pancreassap en vindt plaats in de twaalfvingerige darm.
       
      Alle ontstane splitsingsproducten (monoglyceriden, vetzuren, glycerol en cholesterol) kunnen samen met de overige vetachtige stoffen door de darmwandcellen worden opgenomen (geabsorbeerd).
      Omdat de meeste brokstukken die vrijkomen bij de vetvertering echter niet oplosbaar zijn in water, kunnen deze niet zonder meer via de darmwandcellen aan het bloed afgegeven worden en getransporteerd worden door het lichaam. De niet in water oplosbare splitsingsproducten van de vetvertering (monoglyceriden, langeketenvetzuren en cholesterol) worden voor ze geabsorbeerd kunnen worden, omgebouwd tot micellen. Samen met lecithine en de in vet oplosbare vitamines worden ze gekoppeld aan galzure zouten. In de micellen zijn alle bestanddelen zo gerangschikt dat de in watr oplosbare moleculen of delen van moleculen naar buiten steken. Dit heeft tot gevolg dat micellen in hun geheel oplosbaar zijn in een waterig milieu. Bovendien zijn ze veel kleiner dan de oorspronkelijke vetbolletjes uit de voeding.
      Micellen worden opgenomen in de epitheelcellen van de darmwand (absorptie). De galzure zouten blijven hierbij achter in de dunne darm en worden pas verderop in het darmkanaal geabsorbeerd en naar de lever teruggevoerd, waarna ze opnieuw gebruikt kunnen worden (enterophepatische kringloop). Een klein gedeelte wordt verwijderd met de feces. In de darmwandcellen vindt resynthese plaats van langeketenvetzuren en monoglyceriden tot triglyceriden. Vervolgens verenigen deze triglyceriden zich met cholesterol, lecithine en in vet oplosbare vitamines, en tevens met eiwitten, tot chylomicronen.
       
      Chylomicronen zijn lipoproteïnen: vetdeeltjes omgeven door een mantel van eiwitmoleculen, waardoor ze enigszins oplosbaar zijn in water, en waardoor transport door het lichaam mogelijk is. De chylomicronen worden opgenomen in de chylvaten die zich in de darmwand bevinden, en komen via de lymfevaten en de borstbuis in de bloedbaar. Via het bloed worden ze getransporteerd naar de weefsels en organen die vetten en vetachtige stoffen verder verwerken (lever, spieren en vetweefsel).

      Het hiervoor beschreven absorptieproces geldt niet voor glycerol en korteketen- en middenketenvetzuren (met minder dan 12 atomen) Glycerol is wel oplosbaar in water, en kan zonder meer geabsorbeerd en in de bloedbaan opgenomen worden. Korteketen- en middenketenvetzuren worden na absorptie in de darmwandcellen gekoppeld aan albuminen (bapaalde bloedeiwitten). Hierdoor wordt hun oplosbaarheid in water groter en kunnen ze direct opgenomen worden in de bloedbaan. Net als monosachariden en vrije aminozuren worden glycerol, korteketen- en middelketenbetzuren na absorptie via de poortader naar de lever getransporteerd, waar de verder verwerkt worden.
       

      De stofwisseling van vetten
      De geabsorbeerde langeketenvetzuren, vervat in chylomicronen, komen via de lymfebanen in het bloed. De korteketen- en middelketenvetzuren komen via de poortader in de lever. Hierdoor worden ze vastgehouden en verwerkt, ten dele als energiebron, ten dele als “bouwstenen” voor de vorming van langeketenvetzuren. Zij worden vrijwel niet als zodanig opgeslagen in de vetweefsels. De lipoproteïnen worden door weefsels gebruikt voor energie.
       
      Een gedeelte van de lipoproteïnen gaat naar de vetdepot waar lichaamsvetten worden gevormd. Dit lichaamsvet kan weer worden gemobiliseerd tot vetzuren die via de bloedbaan waar nodig in weefsels energie leveren. Het tijdelijk opslaan van een surplus aan vet in het vetweefsel is van groot belang, omdat de andere mogelijkheden voor het in reserve houden van energieleverende stoffen niet groot zijn. De samenstelling van het vet in het vetweefsel kan onder invloed van de voedingsvetten een geringe wijziging ondergaan. Vetcellen zijn niet alleen in staat tot de opslag van surplus aan vet, maar ook tot de vorming van vet uit glucose. Glucose dat de vetcel binnen dringt wordt omgezet in vet. Reservevet dat zo ontstaat is constant van samenstelling. Bij een constant lichaamsgewicht wordt er voortdurend vet opgebouwd en afgebroken. Uit de koolstofketens van bepaalde aminozuren (ketogene aminozuren) kan eveneens vet worden opgebouwd.
       
      Een gedeelte van de vetdepots wordt gevormd door bruin vetweefsel, dat een speciale samenstelling heeft. Het heeft o.a minder triglyceriden dan het gewone witte vet, meer bloeddoorstroming en ondergaat meer invloed van het zenuwstelsel. Bruin vetweefsel heeft het vermogen om in kort tijd veel energie te produceren.
       
      Om in de cellen afgebroken te kunnen worden moeten de vetten eerst uit het vetweefsel vrijgemaakt worden. Daartoe worden ze in het vetweefsel onder invloed van lipase afgebroken tot glycerol en vetzuren die aan het vloed worden afgegeven. De lichaamscellen nemen vetzuren en glycerol, afkomstig uit vetweefsel en lever, op uit de bloedbaan. Glycerol wordt daarna via dezelfde weg als glucose afgebroken. De afbraakroute voor de vetzuren staat bekend onder de naar B-oxidatie. De vetzuren worden vóór de verdere afbraak eerst geactiveerd door binding aan het zogenoemde co-enzym A. Van het zo geactiveerde betzuur wordt telkens via enkele stappen actyl-CoA afgesplitst, een stukje van twee C-atomen dat gebonden is aan co-enzym A. Bij dit proces komt energie vrij die in de vorm van ATP wordt vastgelegd. Het stukje van twee C-atomen dat met co-enzym A is afgesplitst wordt in de citroenzuurcyclus verbrand, waarbij zeer veel energie vrijkomt en veel meer ATP wordt gevormd dan bij de afsplitsing ervan.
      De rest van het vetzuur (nu twee C-atomen korter) wordt opnieuw aan een molecuul co-enzym A gebonden en volgt dezelfde weg.
       
      Zowel de vetopbouw (lipogenese) als de vetafbraak (lipolyse) worden gereguleerd door een aantal hormonen en enzymen. De vetopbouw wordt gestimuleerd door insuline en verloopt onder invloed van het enzym lipoproteïnelipase. De afbraak van vetten van vetten wordt gereguleerd door een aantal hormonen die als antagonist van insuline werkzaam zijn: adrenaline, nordrenaline, glucagon, corticosteroIden en groeihormoon. Behalve enzymen en hormonen spelen koolhydraten een rol bij de regulering van de vetverbranding. Worden er veel vetten en weinig koolhydraten opgenomen, dan oxideren de vetzuren niet volledig, maar ontstaan tussenproducten die zich ophopen in de vorm van B-hydroxy-boterzuur, B-ketoboterzuur en aceton (deze toestand heet ketose). Onder normale omstandigheden kunnen deze tussenproducten uiteindelijk door oxidatieve verbranding in de cel energie leveren.. Ze kunne nechter ook aanleiding geven tot zuurvergiftiging. In de praktijk kan dit voorkomen na langdurig vasten (atkins dieet), en bij diabetespatiënten met geen of een slecht ingestelde behandeling.
       
      #3
      hanzel
      Super Heavy Weight
      RE: de vertering hoe en wat 2006/01/07 11:59:04 (permalink)
      0
      zomaar ff vraagje: maar is het zo dat doordat je lever een belangrijke fase is bij je eiwit inname en alcohol ook je lever aanspreekt dat ook een factor is die alcohol zo slecht maakt voor bodybuilders?

      erg goeie post trouwens, alleen wel te lang om in 1 keer te lezen.
      handig als je een keer iets wilt opzoeken
      #4
      mister S
      Super Heavy Weight
      RE: de vertering hoe en wat 2006/01/07 12:01:27 (permalink)
      0
      Koolhydraatvertering
       
      Van de koolhydraten zijn alleen de enkelvoudige moleculen absorbeerbaar. Poly- en disachariden moeten eerst worden afgebroken tot monosachariden. Dit gebeurt met behulp van bepaalde spijsverteringsenzymen. De voedingsvezels kunnen niet verteerd worden in het menselijk lichaam. Het enzym dat B-glycosidische bindingen tussen glucosemoleculen kan verbreken (B-amylase) ontbreekt.
       
      De vertering van de koolhydraten begint in de mondholte. Het speeksel bevat a-amylase dat in staat is gaar zetmaal te splitsen: de a-glycosidische bindingen tussen de glucosemoleculen kunnen verbroken worden en het zetmeel wordt gedeeltelijk afgebroken tot maltosemoleculen. In de mond wordt slechts een klein gedeelte van het zetmeel verteerd, aangezien de voeding hier maar kort verblijft. De speekselamylase wordt in de maag spoedig onwerkzaam door het zure maagsap. De vertering van de koolhydraten vindt dan ook hoofdzakelijk plaats in de dunne darm.
       
      Het enzym a-amylase uit de alvleesklier (pancreas) zorgt in de twaalfvingerige darm (duodenum), het eerste gedeelte van de dunne darm, voor de splitsing van zetmeel (gaar en ongaar) in maltosemoleculen. Vervolgens wordt maltose door het enzym maltase uit zowel het pancreassap als het darmsap gesplitst in glycosemoleculen. Lactosemoleculen worden door lactase uit het darmsap gesplitst in glucose- en galactosemoleculen. De omzettingen vinden alleen plaats in de twaalfvingerige darm. Verderop in de dunne darm (in jejunum en ileum) wordt sacharose door sacharase afgebroken. Er ontstaan glucose- en fructosemoleculen. Restanten maltose en lactose kunnen hier ook verder verteerd worden door enzumen uit de epitheelcellen van de dunne darm. Alle verteerbare koolhydraten uit de voeding zijn nu omgezet in de monosachariden glucose, fructose en galactose.
       
      De monosachariden komen via de kleine haarvaatjes in de darmvlokken terecht in de poortader. Glucose, fructose en galctose worden via de poortader getransporteerd naar de lever, waar de stofwisselingsprocessen beginnen. De poortader is het enige bloedvat in het lichaam waar behalve glucose ook fructose en galactose aanwezig zijn. Alle andere bloedvaten bevatten alleen glucose.
      Na het gebruik van koolhydraatrijke voedingsmiddelen stijgt de bloedglucosespiegel. Deze stijging is afhankelijk van de hoeveelheid koolhydraten die gebruikt wordt en het soort voedingsmiddel waaruit deze betrokken worden; er bestaan in dit opzicht ‘snelle’ en ‘langzame’ koolhydraten

      Koolhydraatstofwisseling
       
      De koolhydraatstofwisseling begint zodra de monosachariden via de poortader de lever bereikt hebben. Allereerst worden in de lever fructose en galactose omgezet in glucose. Glucose kan in de lever in beperkte mate opgeslagen worden als glycogeen; dit proces heet glycogenese. Indien nodig kan uit glycogeen weer glucose teruggevormd worden: glycogenolyse. In de lever kan ook glucose gevormd worden uit bepaalde (glucogene) aminozuren of uit glycerol: gluconeogenese. Dit gebeurt als de glucoseaanvoer onvoldoende is, bijvoorbeeld bij vasten. De lever kan glucose gebruiken voor de opbouw van vetzuren en niet-essentiële aminozuren. Een overschot aan glucose kan in de lever omgezet worden in vet. De lever geeft glucose aan het bloed af om de glucosespiegel op peil te houden. Bij gezonde mensen varieert de bloedglucosespiegel tussen 3,5 en 8 mmol/l. Glucose uit het bloed voorziet alle cellen van energie, ook de hersencellen. In tegenstelling tot de spiercellen kunnen de hersencellen geen energie benutten die afkomstig is van vetzuren.
       
      Net als in de levercellen wordt in alle andere lichaamscellen glucose in een aantal stappen afgebroken, waarbij uiteindelijk energie in de vorm van ATP vrijkomt. Deze omzettingen vinden alleen plaats als de cellen energie nodig hebben voor hun activiteiten. De eerste fase in de glucoseafbraak is de omzetting van glucose in pyrodruivenzuur in een aantal stappen. Dit proces heet anaërobe glycolyse. In deze fase van de afbraak is geen zuurstof nodig (het proces is anaëroob) en de hoeveelheid vrijgekomen energie (ATP) is gering.
       
      Glucose    anaëroob    pyrodruivenzuur
                      ------------>  
       
      Pyrodruivenzuur   anaëroob    melkzuur    ------->   pyrodruivenzuur
                                -------------->    (lactaat)    lever
       
          anaëroob    acetyl-CoA
           ------------>
       
      Anaërobe glycolyse, gevolgd door anaërobe of aërobe afbraak van pyrodruivenzuur

      Als er voldoende zuurstof aanwezig is, wordt pyrodruivenzuur gebonden aan co-enzym A. Acetyl-CoA ontstaat dan als tussenstof. De stap van pyrodruivenzuur naar actyl-CoA wordt oxidatieve decarboxylering genoemd en is aëroob. Acetyl-CoA wordt vervolgens opgenomen in de citroenzuurcyclus: het wordt gekoppeld aan oxaalazijnzuur. De stof die ontstaat is citroenzuur. Het CoA wordt hierbij losgekoppeld en is nu weer onveranderd aanwezig en opnieuw beschikbaar. Het citroenzuur ondergaat nu een cyclisch proces, waarbij uiteindelijk weer oxaalazijnzuur ontstaat, dat met een nieuw molecuul actyl-CoA weer citroenzuur kan vormen. De cyclus is hiermee gesloten.
       
      Bij de omzetting in de citroenzuurcyclus worden koolstofdioxide en waterstofatomen onttrokken. De tijdens de cyclus onttrokken waterstofatomen wroden vervolgens overgedragen op zuurstof en er ontstaat water; dit proces, dat geen onderdeel is van de citroenzuurcyclus zelf, wordt de ademhalingsketen genoemtd. Er komt veel energie bij vrij, die gebruikt wordt om ATP te vormen; dit proces heet oxidatieve fosforylering:
       
      ADP + P à ATP
       
      Adenosine-difosfaat (ADP) wordt hierbij gekoppeld aan fosforzuur of hiervan afgeleide verbindingen. Deze ‘energierijke’ fosfaten spelen een belangrijke rol bij de energieoverdracht. De energierijke chemische bindingen hierin worden aangegeven met het bindingsteken ~.
      De vrijgekomen energie ligt nu opgeslagen in ATP, het meest energierijke fosfaat. Deze vastgelegde energie wordt ingeschakeld bij alle energievragende processen in de cel.
       
      Binnen spiercellen kan net als binnen levercellen in beperkte mate een overschot aan glucose opgeslagen worden in de vorm van glycogeen (glycogenese). Dit glycogeen kan aangesproken worden en daarbij teruggevormd worden tot glycose (glycogenolyse) als de spiercellen extra energie nodig hebben voor intensieve arbeid. Het is deze glycogeenvoorraad die duursporters proberen te vergroten via de ‘tapering off’ –methode, die vooral dient om beter duurprestaties te leveren. Hierbij wordt gedurende vijf dagen vóór een wedstrijd de hoeveelheid koolhydraten verhoogd tot 70 en%.
      Wanneer er meer glucose opgenomen wordt via de voeding dan nodig is om energie te leveren en daarnaast alle glycogeenvoorraden aan te vullen, wordt het surplus omgezet is vet: vetvorming uit glucose.
       
      Glucose ßà pyrodruivenzuur à actyl-Co <------ >  Vetzuren ßà vet
       
      Vorming van vet uit glucose
       
       
      In het vetweefsel kan een onbeperkte hoeveelheid vet opgeslagen worden. Gevolg zal zijn dat het lichaamsgewicht toeneemt. De koolstofdioxide en water die uiteindelijk overblijven bij alle genoemde stofwisselingsprocessen verlaten het lichaam via de uitscheidingsorganen (longen, nieren, huid).
       
      Regulatie van de koolhydraatstofwisseling
      De stofwisseling van de koolhydraten wordt gereguleerd door een aantal hormonen. Met deze hormonen probeert het lichaam het glucosegehalte van het vloed binnen nauwe grenzen te handhaven. Het bloed heeft een glucosespiegel van ongeveer 5,5 mmol/l, met een schommeling van 3,5 mmol/l tot 8 mmol/l. De hoogte van de bloedglucosespiegel wordt bepaald door enerzijds het aanbod van glucose en anderzijds het verbruik van glucose door de cellen.
      Het voornaamste hormoon voor de regulering van het glucose-evenwicht is insuline, afgescheiden door de B-cellen van de pancreas. Insuline heeft een bloedglucoseverlagend effect.
      Tegengesteld, dus bloedglucoseverhogend, werken:
      ·         Glucagon, afkomstig van de a-cellen van de pancreas;
      ·         De catecholaminen (oa adrenaline), afkomstig van het bijniermerg;
      ·         De glucocorticoïden uit de bijnierschors;
      ·         Het groeihormoon, afkomstig van de hypofyse.
       
      Als de concentratie glucose in het bloed te laag wordt (hypoglykemie) krijgen de hersencellen onvoldoende “brandstof”. Voor hun energievoorziening zijn ze vrijwel volledig afhankelijk van glucose. Alle andere cellen kunnen glucose sparen door over te stappen op vetzuurverbranding.
      Tijdens hypoglykemie vermindert het concentratie- en denkvermogen en kan duizeligheid optreden. In het ernstigste geval treedt verlies van bewustzijn (coma) op. Dit laatste kan voornamelijk bij diabetici gebeuren. Grote lichamelijke prestaties zijn bij lage bloedsuikerwaarden moeilijk te leveren. Men kan hypoglykemie voorkomen door ’s morgens een goed ontbijt te gebruiken en een niet te lange tijdsduur tussen twee maaltijden te nemen. Door de maaltijd stijgt steeds de bloedglucosespiegel, waarna deze langzaam daalt tot de volgende maaltijd genuttigd wordt.
       
      Wordt de concentratie glucose in het bloed te hoog (hyperglykemie), dan wordt het teveel aan glucose uitgescheiden door de nieren en gaat verloren De drempelwaarde waarbij dit gebeurt is ongeveer 10 mmol/l. Bij een goed hormonaal evenwicht komt hyperglykemie niet voor; insuline zorgt dan immers dat de bloedglucosespiegel nooit te hoog kan worden. Wanneer insuline onvoldoende aanwezig is of onvoldoende werkt is dit evenwicht verstoord en blijft de bloedglucosespiegel hoog.
       
      Gezonde mensen lopen het risico dat ongeveer twee uur na een zware maaltijd een zogenaamde ‘alimentaire hypoglykemie’ optreedt: op een snelle stijging van de bloedglucosespiegel volgt een sterke daling, ten gevolge van een hoge insulineproductie. Met name als de maaltijd veel snel opneembare koolhydraten bevat is de kans hierop groot.
       
       
       
       
       

       
      #5
      Diver2000
      Super Heavy Weight
      RE: de vertering hoe en wat 2006/01/07 12:20:48 (permalink)
      0
      goede post
      #6
      mister S
      Super Heavy Weight
      RE: de vertering hoe en wat 2006/01/07 13:17:08 (permalink)
      0
      @ hanzel
       
      op het moment dat je alcohol neemt, alchol krijgt dan een voorkeurs behandeling in je lichaam, alcohol hoeft nl niet verteerd te worden en word snel opgenomen,
      20% van de alcohol wortd direct door je lichaam opgenomen door de wand van een lege maag en komt dan binnen een minuut bij je hersenen, dat verklaard dan meteen dat je sneller zat wordt, kan meer alcohol direct worden opgenomen. Als de maag nl vol zou zitten met voedsel, kan de alcohol moeilijker teegn de wand aan komen en worden opgenomen.
       
      dat vrouwen meestal sneller zat worden dan mannen komt omdat vrouwen minder ''dehydrogenase'' ( ik ken de nederlandse term niet) enzym aanmaken ( het enzym in de maag dat ervoor zorgt dat de alcoholketens verkleind worden)
       
      wat ookin me post staat:
       
      de lever breekt het liefste vetten af in glyceriden, maar als er alcohol bij zit, moet de lever deze eerst afbreken, en stapele de vetten zich op
       
      oftewel, als er alcohol gedronken is, wordt de rest een stuk minder verteerd
      #7
      folkert jan
      Middle Weight
      RE: de vertering hoe en wat 2006/01/19 18:49:21 (permalink)
      0
      egt goeie post man ik ga es ff lezen of dit nog iets kan toevoegen aan mijn gezonde eetgewoonten
      #8
      3XL
      Senior Moderator
      RE: de vertering hoe en wat 2006/01/19 18:55:49 (permalink)
      0
      IK ga in de modsectie voorstellen er een sticky van te maken.

      Maar dan moet je wel even een bronvermelding plaatsen
      #9
      Smalluser
      *Retired Founder*
      RE: de vertering hoe en wat 2006/01/19 19:08:56 (permalink)
      0
      Zeker post.

      Sticky gemaakt !!! goede info en 'leesvoer'.
       
      Zet nog wel effe je bron erbij idd.

      Groet
      #10
      mister S
      Super Heavy Weight
      RE: de vertering hoe en wat 2006/01/19 20:01:42 (permalink)
      0
      SAMENVATTING UIT DE VOLGENDE 2 BOEKEN

      understanding nutrition, 10 th edition, Ellie Whitney, sharon rady rolfes, THOMPSON wadsworth

      human anatomy & physiology 6 th edition elaine N marieb ( internation edition)
      PEARSON
      #11
      3XL
      Senior Moderator
      RE: de vertering hoe en wat 2006/01/19 20:25:31 (permalink)
      0
      Ga je vertellen dat je het allemaal zelf heb zitten typen [sm=87.gif]

      super blij
      #12
      mister S
      Super Heavy Weight
      RE: de vertering hoe en wat 2006/01/19 21:18:02 (permalink)
      0
      ja eigenlijk wel , klein beetje hulp van een klasgenootsuper blij
       
      ik durf te zegge, schild een hoop leerwerk hoor, eenmaal zelf getypt, zit het er bijna inblij
       
      groet
       
      en je moet wat over hebben voor het forum, dit was natuurlijk helemaal niet voor schoolknipoog
      #13
      mariska
      Super Heavy Weight
      RE: de vertering hoe en wat 2006/01/22 22:22:58 (permalink)
      0
      Super zeg, bedankt voor het typen
      #14
      Jump to:
      © 2020 APG vNext Commercial Version 5.0